Selecteer een pagina

“Op een herfstachtige namiddag vertrok ik voorgoed uit de stad waar al mijn herinneringen lagen. Behalve de Hollandse Meesters vond ik niets meer dat me aan Amsterdam bond. Mijn voorvaderen woonden generaties lang in de hoofdstad. Vaders familie had een schroothandel in de Amstelstraat en leefde er in grote armoede. Moeders voorvaderen waren pruikenmakers op het Oudekerksplein. Ik was zo Amsterdams als maar zijn kon, geboren in de Jordaan en later woonde ik in bijna alle stadsdelen. Ik kon er de gezichten van mensen lezen en de dialecten meespreken. De meeste huizen aan de grachten had ik als foto’s in mijn geheugen opgeslagen. Dat gold ook voor de steegjes en de straatjes in de binnenstad waar ik als kind zwierf. De marktkooplui en de winkeliers, die met mij ouder werden, waren allemaal bekenden geworden. Ik had er scholen bezocht, vrienden en vriendinnen gekend en liefgehad. Waarom ik dan toch vertrok om niet meer terug te keren? Steeds vaker miste ik de natuur en de stilte die ik nodig had om te kunnen schrijven. De voortdurende ruis van verkeer, toeristen en criminaliteit in de stad braken me op. Nu woon ik al jaren op het eiland.”